Staverse jol

jollenbouw in Stavoren en Gaastmeer

Staverse jollen zijn vissersscheepjes voor de Zuiderzee. Ze zijn vanaf 1860 door scheepsbouwer Roosjen in Stavoren ontwikkeld voor de plaatselijke aalvisserij. Vanaf 1896 worden deze vissersjollen ook gebouwd in Gaastmeer, door de gebroeders Wildschut. Die zijn in dat jaar hun vaste klanten kwijtgeraakt van het onderhoud aan palingaken en 'ielbûsen'. Wildschut begint met succes houten vissersjollen te bouwen en vanaf 1904 ook ijzeren skûtsjes (en vier ijzeren jollen). Na de Eerste Wereldoorlog worden er geen nieuwe vissersjollen meer gebouwd. In Stavoren verkoopt Ids Strikwerda zijn werf in 1918 en in Gaastmeer emigreren twee gebroeders Wildschut en koopt de derde broer,Jetze, in 1924 de werf. Hij schakelt met zijn zoon Lourens over op jachtbouw en bouwt niet alleen BM-ers, maar ook veel jachtjollen: d.w.z. Staverse jollen met een kajuitje voor de pleziervaart. Jetze overlijdt in 1950 en Lourens beëindigt de jachtbouw in 1953.


Stavoren, 1906. De scheepswerf van Pieter Heinsius na de brand van 1903. Werfbaas Douwe Roosjen bouwt er met Ids Strikwerda vissersjollen en Heinsius verhuurt kotterjachten aan Engelse toeristen.

 
Bakermat Stavoren
 
1. De ontstaansgeschiedenis
In 1846 wordt na de voor Stavoren rampzalige Franse Tijd, toen de helft van de bevolking van Stavoren wegtrok en de locale economie tot stilstand kwam, een scheepswerf opgericht door Anne Veldstra. Op de noordpunt van de Schans, precies achter de zeesluis. Dat kan dankzij een krediet van f. 6000.- dat Veldstra ontvangt van de Jhr. Gerard Regnier Gerlacius van Swinderen, burgemeester van Gaasterland. In 1856 gaat Veldstra failliet. De werf wordt voor f. 4000.- gekocht door de zoon van Jhr. Gerard Regnier Gerlacius van Swinderen, Jhr. Mr. Jan Hendrik Frans Karel van Swinderen, zodat Veldstra zijn schuldeisers kan betalen. Het onderpand voor de lening (onroerende zaken in Stavoren en omgeving van de vrouw van Veldstra) gaat over naar de familie Van Swinderen.  Werfbaas wordt vervolgens Jan Wijbrands uit Hindeloopen, die echter in 1860 eveneens failliet gaat. Dan komt een nieuwe werfbaas: Douwe Roosjen uit Hindeloopen, die met Gerben Strikwerda als scheepstimmerknecht op de werf in Stavoren scheepjes gaat bouwen voor de visserij.
Douwe Roosjen en Gerben Strikwerda komen van de Wijbrandswerf in Hindeloopen, waar zij gewend zijn Hindeloopersloepen en -jollen te bouwen. Onder invloed van de wensen van de Staverse vissers ontwikkelt Roosjen een nieuw type vissersjol, die er uit ziet als een lompe, zwaar gebouwde eikenhouten sloep, met naar binnen gebogen boorden. Helemaal glad, karveel gebouwd, dus niet overnaads (zoals vermeld op de site van het Fries Scheepvaartmuseum), maar nog duidelijk verwant aan de Hindelooper sloep en de Hindelooper jol die aan de basis hebben gestaan van deze vissersjollen in Stavoren.  Deze eerste jollen worden door de 12 leden van het Stavers Vissersgilde in de herfst gebruikt voor de aalvangst. Herfstjollen worden ze genoemd, voor de vangst van paling (in de herfst) met fuiken vlak langs de kust. De jollen zijn 18 of 19 voet lang (5.40 meter en 5.70 meter). Na 1883 krijgen de vissers de beschikking over machinaal gebreid staand want, waarmee zij in het voorjaar eerst op haring en daarna op ansjovis kunnen vissen. Dat wordt een groot succes. Dit staand want is eenvoudig te gebruiken en blijkt zeer effectief voor het vangen van ansjovis en haring. De jollen worden iets groter gemaakt (naar 20 tot 24 voet), om de vele netten te kunnen bergen. Bovendien gaan de scheepjes nu verder op zee en blijven niet vlak bij de haven wat langs de kust scharrelen, zodat ze wat zeewaardiger moeten worden. 
De oorsprong van de jol ligt dus niet bij de kubboot (een stevig, spitsgat scheepje dat lijkt op een Noorse jol en voor de aalvangst werd gebruikt langs de westwal, in Harderwijk en Vollenhove), zoals de site van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten vermeldt. Er is immers helemaal geen aanwijsbare 'genealogische lijn' van de kubboot naar de jol. Ook de brede sloepen die in Vollenhove in gebruik waren (vanaf wanneer overigens?), kunnen om die reden geen basis zijn (wat Vroom in een studie over schepen van Eeltsjebaas oppert). Tussen Vollenhove en Stavoren zijn geen aanwijsbare contacten die een verklaring kunnen zijn waarom in Stavoren de vissersjollen deze vorm hebben gekregen. Die lijn is wel aanwijsbaar tussen Hindeloopen en Stavoren. De scheepsbouwers die in 1860 op de werf aan de slag gaan, komen immers uit Hindeloopen en hebben daar gewerkt op de werf van Wijbrands, die zich sloepen-, jollen- en botenbouwer noemde. De genealogische lijn loopt daarom van de sloepen en jollen die in Hindeloopen werden gebouwd via de Hindelooper sloepenbouwers naar Stavoren. Het bestaande model van karveelgebouwde sloepen en jollen uit Hindeloopen is door Roosjen doorontwikkeld op wens van Staverse vissers. Het model van een dikke, volle sloep is nog goed herkenbaar in de vorm van de Staverse jol. De invloed van de vissersfamilies Visser (uit Stavoren) en Zeldenrust (uit Molkwerum) wordt daarbij terecht genoemd. Zij waren spraakmakende vissers in het 19e eeuwse Stavoren. Het is echter onwaarschijnlijk dat zij 'de opdracht gaven' een Staverse jol te bouwen. Er bestond immers geen ontwerp op papier. De ontwikkeling van de jol is geleidelijker gegaan en meer vanuit de gemeenschap van vissers.
Overigens is de naam 'Staverse jol' pas later aan deze scheepjes gegeven. Roosjen en Strikwerda adverteren (tot 1917) met de bouw van "Stavorensche sloepen en visschersjollen". Met die laatste scheepjes werden de huidige Staverse jollen bedoeld. In het digitaal archief van de Leeuwarder Courant trof ik voor het eerst in 1893 een advertentie aan over de (openbare) verkoop van ondermeer "een Stavorensche jol". Het was geen scheepsbouwer, maar een notaris die deze aanduiding gebruikte. De benaming 'Staverse jol' komt pas in zwang als de bouw van deze vissersjollen in Stavoren beëindigd is. Tenslotte kan natuurlijk nog gevraagd worden, hoe die Hindelooper sloepen dan zijn ontstaan. Die vraag gaat weliswaar niet over de Staverse jol, maar is natuurlijk wel terecht. S.J. van de Molen (Jaarboek Fries Scheepvaartmuseum, 1961) wijst op de invloed van de Friese scheepsbouwkundige Van Loon die geïnspireerd zou zijn door de Franse kotters die tijdens het Continentaal Stelsel van Napoleon  ook de Harlinger haven blokkeerden. Van Loon ontwierp ondermeer een Hindelooperzeilsloep zonder zijzwaarden en ook Meindert Seffinga, directeur van het Fries Scheepvaart Museum, wijst in die richting (FSM, Jaarboek 2003).  Zo zou er toch nog sprake zijn van "buitenlandse oorsprong" zoals Van Kampen in 'De Zeilsport' suggereert n.a.v. de onbekende herkomst van de Staverse jol.                                                   
 
2. Vorm en functie van de Staverse jol
Staverse jollen zijn in de 19e eeuw gebouwd om er mee te vissen. De eigenaardigheden van zo'n scheepje moet je daarom primair interpreteren vanuit de functionaliteit als vissersschip. Het zijn de vissersschepen voor de man met de kleine beurs. Opvallend is het robuuste karakter van het scheepje. Dat is nodig, omdat het gebruikt wordt in het vroege voorjaar en in de herfst langs de dan vaak ruwe lage wal van de Zuiderzee. Bij het werk aan de fuiken vlak langs de dijk ligt de vissersjol stil bij de fuiken en dan kan het gebeuren dat de jol door de golven op de keien wordt gezet. Het scheepje moet daarbij natuurlijk niet direct in stukken slaan.                              
 
De merkwaardige vorm van de jol is door Roosjen ontwikkeld in samenspraak met de gebruikers, de vissers in Stavoren, Molkwerum en Laaksum. Die willen geen gewone sloep zoals Roosjen gewend is te bouwen op de werf in Hindeloopen, maar een sterk zeilschip dat optimaal geschikt is voor het gebruik langs de kust. Met volledig gladde boorden (zodat de netten gehaald konden worden zonder kans op beschadiging langs uitsteeksels of berghouten). Boorden die bovendien naar binnen buigen (zoals het boeisel bij platbodems), wat het werk aan en met de netten gemakkelijker maakt. Met een ondiepe kiel om te kunnen zeilen, die bovendien doorloopt over de gehele lengte van het schip, waardoor het schip rustig op het roer ligt, weinig diepgang heeft en gemakkelijk op het droge te trekken is.                                                 
Achteraf moeten we vaststellen, dat de ontwikkeling van de Staverse jol door Roosjen een bijzonder innovatief project is geweest. De typische kenmerken van de jol (geheel gladde boorden, naar binnengebogen en de lange kiel) komen in die tijd bij geen enkel ander regionaal bekend vaartuig voor.
Om met de vissersjol vooruit te komen, worden zeilen gebruikt (naast de mogelijkheid om te roeien). Niet het spriettuig zoals diverse onderzoekers beweren. Althans, daar heb ik onvoldoende aanwijzing voor gevonden. Er is één advertentie uit 1862 voor een zeilwedstrijd te Stavoren voor vrachtschepen en "visschersbooten en jollen getuigd met sprietzeil en fok". Het is de vraag wat de wedstrijdorganisatie precies bedoelde met dat sprietzeil. Tenminste zijn er geen historische afbeeldingen bekend van jollen met spriettuig en evenmin historische beschrijvingen. Wel weten we dat alle vissersschepen op de Zuiderzee in de 19e eeuw het bezaantuig (grootzeil met gaffel en giek, zoals bij de botter) gebruiken, omdat het spriettuig op zee niet voldoet. Waarom zou de zo innovatieve Douwe Roosjen dan in 1860 op de jol een spriettuig zetten? Dat lijkt me niet voor de hand te liggen. Wel bestaan er veel foto's uit eind 1800 van jollen die getuigd zijn met een grootzeil met gaffel, maar zonder giek. Dat lijkt een aannemelijke innovatie van Roosjen. De vissers willen geen lastige giek door de kuip, want in de kuip moet gewerkt worden. Het spriettuig is mogelijk zonder giek, maar de vissers kunnen op zee niets met de zware spriet die diagonaal door het grootzeil loopt. Topzwaar en het slingert maar heen en weer op de deining. In plaats van de spriet, gebruiken ze de gaffel die het zeil uit houdt. Veel lichter en er is bovendien over beide boegen gelijkwaardig mee te zeilen. De grootschoot zit als enkele lijn aan de schoothoek van het zeil. Dit grootzeil wordt niet gestreken. De nok van de gaffel wordt met de geilijn strak naar beneden getrokken. Er is geen giek, dus het zeil valt langs de mast en wordt vastgebonden.
 
Een normaal grootzeil moet gestreken worden als de visser bij zijn fuiken ligt. Giek gaffel en grootzeil liggen dan in de kuip precies op de plaats waar de vissers willen werken. Dat is niet handig. Met katten en geien en de giek opdirken is er ook ruimte te krijgen, maar dan zwaait dat tuig vervaarlijk op de deining heen en weer. Ook niet ideaal. Een grootzeil zonder giek, dat niet gestreken wordt, maar gegeid (nok neer), is in die situatie dus zo gek nog niet. De schoot naar voren en de visser kan werken in de kuip. Het fokje wordt aanvankelijk vrij gehezen. Er is bij de herfstjollen geen voorstag. De mast staat bij de eerste jollen eenvoudig in de mastbank met een vergrendeling aan de achterzijde. Het tuig kan dus heel snel verwijderd worden, maar dat is dan ook het enige voordeel.
Zeilen zonder giek gaat in de praktijk overigens niet zo goed. Dat is bij het sprietzeil zo en bij een grootzeil met een klapgaffel, die scharniert om de gaffelklauw, niet anders. Iets ruimer varend dan 'aan de wind' trekt de stuurman met de schoot een zak bij het achterlijk, waardoor de zijwaartse kracht in het zeil wordt versterkt ten koste van de voorwaartse stuwing. Pas in de loop van de 19e eeuw, als de jollen wat groter worden gebouwd, zie je dat giek en voorstag standaard worden gebruikt. Die ontwikkeling in de tijd is door diverse onderzoekers geïnterpreteerd als voortschrijdend inzicht bij de vissers. Deze wijze van interpreteren is m.i. niet correct. De vissers weten al die tijd best dat een grootzeil met gaffel en giek zeiltechnisch de optimale vorm is. Zij kiezen echter bewust voor een grootzeil zonder giek, omdat die vorm functioneler is voor vissers die vlak onder de kust met fuiken in de weer zijn. De introductie van de giek op de jollen heeft te maken met de noodzaak snel(ler) en beter te kunnen zeilen. De Staverse aalvissers in de 19e eeuw hebben geen concurrentie. Die krijgen van de handelaren in Workum, Gaastmeer en Heeg een vaste prijs voor hun vangst. Bovendien staan hun fuiken langs de dijk dichtbij de haven van Stavoren. Naar het zuidoosten tot een kilometer voor het Rode klif en naar het noordoosten tot halverwege Molkwerum. Die korte stukjes kunnen de vissers wel zeilen met een gebrekkig grootzeil. De gevangen paling blijft bovendien voorlopig wel vers. Die is nog lang niet dood. Dat alles ligt anders bij de vangst van haring en de ansjovis. Die vis wordt gevangen waar de vis zich ophoudt. Dat kan zijn langs de Friese kust zijn, maar ook aan de Hollandse kant of bij Lemmer of Urk. Afhankelijk van de wind. De vis zit aan de lage wal. De vangst moet snel naar de thuishaven gebracht worden, want wie het eerste komt, heeft de beste prijs. Dan is het belangrijk om ook met een jol goed te kunnen zeilen.
 
Er is mijns inziens dus niet sprake van een autonome zeiltechnische ontwikkeling van het tuig van de jol van eenvoudig naar optimaal, zoals door de meeste auteurs over dit onderwerp wordt voorgesteld. De vissers hebben steeds gekozen voor een optimaal tuig voor hun werkzaamheden. Bij de vissers draait het om functionaliteit tijdens het werk. Zij kiezen niet voor het sprietzeil, want dat voldoet niet op zee. Zij gaan voor het zeiltechnisch suboptimale grootzeil zonder giek, omdat zij bij het werk geen tuig in de kuip kunnen gebruiken. Te lastig tijdens het werk. Uiteindelijk komt die giek er toch. Dat heeft twee redenen. Ten eerste moet er vanwege concurrentie op het water sneller en beter gezeild moet worden. Ten tweede ligt de visser met staande netten niet stil bij de netten, zoals de aalvisser bij de fuiken, maar zeilt hij terwijl de beug wordt geschoten, danwel gehaald. Hij heeft dus geen last van een slingerend tuig, want er blijft tijdens het vissen wind staan in het grootzeil. 
 
3. De afloop van de jollenbouw in Stavoren
Douwe Roosjen begint in 1860 als werfbaas jollen te bouwen en blijft dat doen tot aan zijn dood in 1906. De werf is aanvankelijk eigendom van de Jhr. J. van Swinderen, die ook het perceel grond mag pachten van de Stad Stavoren. In 1896 heeft hij het pachtrecht nog eens verlengd met 25 jaren, maar een jaar later, in 1897 verkoopt hij de werf aan Pieter Heinsius. Van Swinderen heeft in die tijd zelf financiële problemen. Hij wil dus wel verkopen. Hij is vijf jaar later, in 1902, in armoede overleden te Rijs (Balk). De nieuwe eigenaar van de werf, Pieter Heinsius, is de schoonzoon van Douwe Roosjen en werkt bij zijn schoonvader op de werf als knecht. Daarnaast is hij belastingambtenaar bij de provincie Friesland. Hij moet brug- en tolgeld heffen bij de sluis naast de werf. Pieter Heinsius woont met zijn vrouw Jaaj Roosjen in de dubbele woning op het werfterrein, onder één dak met zijn schoonouders. Hij is een ondernemend man die bijvoorbeeld grote kotterjachten verhuurt aan (vooral) Engelse toeristen. Die jachten heeft hij voor de kant liggen bij de werf. In 1897 is de jollenwerf zijn eigendom. Zijn schoonvader, Douwe Roosjen, blijft de werfbaas. In 1903 brandt de timmerschuur van de werf af. De schuur is niet verzekerd (het woonhuis wel). Van de gemeente krijgt Heinsius toestemming een nieuwe schuur te bouwen. Gerben Strikwerda heeft de brand niet meer meegemaakt. Gerben overlijdt in 1900. De oude werfbaas Roosjen wel. Die overlijdt op bijna 86 jarige leeftijd in 1906. Datzelfde jaar overlijdt onverwacht, op 5 december, ook Pieter Heinsius, de eigenaar van de werf. Zijn enige erfgenaam, Jaaj Roosjen, wordt verantwoordelijk voor de financiële nalatenschap. De werf blijkt zwaar onder de schulden te zitten en wordt failliet verklaard. In 1907 wordt de werf in openbare verkoping verkocht aan Ids Strikwerda, de zoon van Gerben, voor f. 2599.- Ids heeft vanaf 1879 een werfje voor Staverse jollen aan de zuidkant van Stavoren en werkt vanaf 1890 bovendien mee op de werf van Heinsius. In 1907 wordt hij eigenaar en werfbaas van de werf tegenover het station. Zijn werfje op de Stadsfenne, in het zuiden, verkoopt hij aan Arie Peereboom uit Wieringen. Deze gebruikt de voormalige timmerschuur vervolgens voor de opslag van zeewier.                                                                                                                                                                         De goede tijden voor de jollenbouw zijn op dat moment echter voorbij. Ids Strikwerda zal tussen 1907 en 1918 nog maar vier jollen bouwen (en enige tientallen Stavorense sloepen). In 1917 zet hij de werf in de verkoop. Zijn gezondheid laat te wensen over, hij is 57 jaar en hij heeft geen opvolger. In 1918 wordt de werf voor f. 4000.- verkocht aan Auke van der Werff uit Warga, die de werf omvormt tot een ijzerwerf voor binnenscheepjes. Ids Strikwerda overlijdt een jaar later.
Strikwerda heeft de stap naar ijzerbouw nooit durven of willen maken. 
 
4. Jollen uit Gaastmeer
 
Er zijn op dit moment niet alleen nog enkele originele vissersjollen uit Stavoren in gebruik als jacht, maar ook Staverse jollen uit Gaastmeer, die gebouwd zijn op de scheepswerf De Vlijt van de gebroeders Wildschut. In Gaastmeer zijn vele jollen gebouwd, maar Gaastmeer is niet de bakermat van dit scheepstype. Roosjen begon in Stavoren in 1860 met jollenbouw en in Gaastmeer begon Wildschut pas in 1896 dit soort scheepjes te bouwen. Hij ging daartoe over, toen zijn onderhoudswerk aan palingaken, aalbûsen en leggers ophield omdat de palinghandel in Gaastmeer in 1896 werd overgenomen door de palinghandelaar Wigle en Anne Visser & Zn. uit Heeg. Roelof Ages Wildschut, in 1800 in Heeg geboren, was scheepstimmerman bij de werven van Palsma in Heeg. In 1857 verhuist hij naar Gaastmeer, waar hij werfbaas kan worden op het nieuwe werfje dat de gebroeders Wieger, Sippe en Jan Wiegers Visser er hebben laten bouwen. Deze palinghandelaren hebben belang bij een onderhoudswerf in Gaastmeer, waar de gekochte paling van de handelaren in Workum,Gaastmeer en Heeg levend wordt bewaard in leggers, in doorlaatbare kisten onder water. De schippers met hun palingboeiers (aalbûsen) die de aal bij de vissers opkopen en naar Gaastmeer brengen en de schippers van de grote palingaken, die de vis levend naar Londen overvaren, kunnen voor kleine reparaties en onderhoud dan terecht bij het werfje in Gaastmeer. Ze hoeven daarvoor niet naar de werf in Heeg of zelfs naar Joure, naar de werf van Eeltje Holtrop van der Zee. Roelof Wildschut huurt de werf van de gebroeders Visser. Hij overlijdt in 1862 en wordt opgevolgd door zijn oudste zoon Lourens. Deze huurt de werf tot 1876. De werf komt dat jaar in openbare verkoop en Lourens koopt de werf. In 1886 overlijdt hij, waarna zijn oudste zoon, Roelof, de werf overneemt. Weer tien jaar later, in 1896, wordt de palinghandel in Gaastmeer overgenomen door de fa. Wigle en Anne Visser & Zn. uit Heeg. Daarmee vervalt voor Roelof Wildschut de geregelde vraag naar onderhoudswerk aan palingschuiten en moet hij proberen nieuwe klanten te vinden. Hij besluit Staverse jollen te gaan bouwen voor vissers in Workum, Hindeloopen, Molkwerum, Stavoren en Laaksum. De jollen die hij bouwt, krijgen een herkenbare eigen vormgeving. Net ietsje anders dan de jollen van Roosjen uit Stavoren. Iets boller, de spiegel breed en ui-vormig i.p.v. vrij smal en V-vormig. De kop van het roer laag en spits naar voren i.p.v. hoog als een in elkaar gezakt hoedje. Bovendien schakelt Wildschut in 1904 over op ijzerbouw. Hij bouwt vele skûtsjes, enige tjalken en klippers en natuurlijk ook ijzeren pramen. Tegelijkertijd blijft hij houten Staverse jollen te bouwen en 4 grote ijzeren jollen: de ST 26, ST 49, ST 56 en de WON 17.
 
5.  De afloop van de Staverse jol
In Stavoren zijn er tot 1880 twaalf vissers met een jol die vooral in de herfst actief zijn met aalvangst in fuiken. Als het staand want beschikbaar komt, groeit het aantal jollen (en vissers) snel tot ruim 70 in 1903. In 1918 wordt het besluit genomen de Zuiderzee af te sluiten en gedeeltelijk in te polderen. Hoewel veel vissers dat aanvankelijk niet willen geloven, wordt het voor hen in de jaren daarna toch duidelijk dat er voor hen geen florissant perspectief meer is. De houten schepen worden vervolgens ietwat verwaarloosd. In 1920 zijn er in Stavoren nog 34 vissers met een jol, in 1939, vlak voor de Tweede Wereldoorlog, nog 14. Na de oorlog zijn er nog 7 jollen in gebruik. De laatste (de ST 4) wordt in 1949 verkocht aan het Zuiderzeemuseum. Later is deze jol  in particuliere handen overgegaan, gerestaureerd, voorzien van een kajuitje en als jacht in gebruik genomen. In Stavoren was het al ruim voor de Eerste Wereldoorlog voor de vissers duidelijk dat voor de kleine, houten Staverse jol de tijd voorbij was. Ids Strikwerda heeft tussen 1907 en 1918 slechts vier nieuwe jollen gebouwd.Na de oorlog valt de vraag volledig weg. De vissers willen grotere, staalijzeren schepen waarmee sneller meer vis is te vangen en die minder onderhoudskosten met zich meebrengen. Bij Wildschut in Gaastmeer is dat niet anders. Voor hen valt na de oorlog zowel de vraag naar Staverse jollen voor de visserij als de vraag naar ijzeren skûtsjes voor de binnenvaart weg. Ids Strikwerda stopt er in 1918 mee. Hij verkoopt zijn werf. Bij de gebroeders Wildschut, die zelfs gedurende de voorspoedige tijd van voor de oorlog voortdurend onenigheid hadden, besluiten Jelle en Age te emigreren naar Amerika. Jetze koopt de werf in 1924 en schakelt, samen met zijn zoon Lourens, over op jachtbouw. Tot 1940 zal hij behalve BM-ers, boatsjes en houten motorbootjes ook vele jachtjollen bouwen: Staverse jollen met een kajuit, geschikt voor de pleziervaart. Na de Tweede Wereldoorlog volgt er ook voor de jachtbouw een moeilijke tijd. Jetze overlijdt in 1950 en zijn zoon Lourens houdt in 1953 als jachtbouwer op.                                                                                                                           
 
Na de oorlog worden de nog resterende al dan niet in gebruik zijnde vissersjollen in korte tijd verkocht aan particulieren die deze scheepjes om (laten) bouwen voor de pleziervaart.  Vanaf 1963 zijn er structureel weer nieuwe (stalen) Staverse jollen gebouwd voor gebruik als jacht. Het initiatief komt van Anton van der Werff, werfbaas van de 'Volharding' in Stavoren, de voormalige jollenwerf van Roosjen/Strikwerda. Hij bouwt in 1963 twee stalen jolletjes, en tien jaar later nog eentje, maar er is in de jaren zestig nog niet veel belangstelling voor. Tien jaar later is dat anders. Vanaf de jaren zeventig zijn er vele jollen gebouwd door diverse werven. Op basis van ontwerpen van Gipon, van Lefeber en anderen. Meestal met iets grotere afmetingen dan de vissersjollen uit de 19e eeuw.
 
6.  De Staverse jol als zeilboot
In de 19e eeuw krijgt de Staverse jol niet alleen bekendheid als vissersschip, maar komt ze ook in het nieuws door de spectaculaire wijze waarop de vissers in en rond Stavoren er stormweer mee wisten te trotseren. De Staverse jol wordt een legende op gebied van zeewaardigheid en gezegd moet worden, dat er met jollen diverse spectaculaire reddingen op de Zuiderzee zijn verricht. Tjalken die met stormweer op het Vrouwenzand lopen en vervolgens door een zwerm van jollen van de ondiepten worden gehaald. Vrouwen en kinderen die gered worden door deze vissers met hun kleine scheepjes. 
                                                                                                                                                     Naar huidige begrippen moeten we die zeewaardigheid echter wat relativeren. Een jol was in zijn tijd een handig en dapper scheepje, maar het is bijvoorbeeld onmogelijk om met een jol bij harde wind en hoge golven voldoende hoogte te lopen om vrij te zeilen van lagerwal. De aan-de-windse eigenschappen zijn niet vergelijkbaar met die van moderne jachtjes. Reeds bij matige wind en een flinke deining op het IJsselmeer hebben veel jollen de onhebbelijke gewoonte om bij het overstag gaan met de kop in de wind tot stilstand te komen. Het schip deinst vervolgens en de arme schipper moet maar afwachten over welke boeg de wind weer in het zeil valt. Dat kan gemakkelijk tot riskante situaties leiden. Jollen zeilen gewoon het beste op de iets ruimere koersen. Voor de zeewaardigheid zijn de aan-de-windse eigenschappen ook van belang. Dat moeizame wenden heeft overigens minder te maken met de lange kiel dan vaak gedacht is. Er waren vissers die een flink stuk uit de kiel zaagden voor het roer, maar de wendbaarheid verbeterde niet. Het schip komt tot stilstand vanwege de brede kop. De golven hebben daar zoveel greep op, dat de vaart er bij de jol uitgaat.
Overigens bestaan er historisch gezien twee typen van Staverse jollen: jollen met een spitse kop (en scherpe waterlijnen) en jollen met een stompe kop. De slanke, spitse jollen hebben veel minder problemen met overstag gaan op ruw water dan de jollen met een dikke kop. Opmerkelijk is, dat de moderne ontwerpen van Staverse jollen die bedoeld zijn als jacht, allemaal dikkoppen zijn, terwijl voor een jacht toch de zeileigenschappen van nog meer belang zijn dan bij een vissersschip.  Slechts incidenteel is er een Staverse jol ontworpen als jacht met een scherpe kop, bijvoorbeeld door ontwerper Johan Elsenga.
 
Meer informatie?
Over de 'scheepsbouw in Stavoren van 1846 - 1920' heb ik een boek geschreven, waarin uitvoerig en met vele illustraties bovenstaande geschiedenis is uitgewerkt en onderbouwd. Dat boek geef ik uit in eigen beheer en is gratis te downloaden via mijn website: www.dirk-advies.com , onder de rubriek Product 2.

Opmerkingen

Dirk Huizinga
Dirk Huizinga
maritiem publicist
Tjonger 20 NL 9204 AS Drachten
Artikelscore:
Uw score:

Recensies

    Soortgelijke inhoud op het web

    Activiteit voor deze knol

    Deze week:

    68paginabezoeken

    Totalen:

    3463paginabezoeken