Een nieuwkomer in Nederland: Robiniagalmug
Begin juli 2007 werd in Bemelen en in Baarn voor het eerst in Nederland met zekerheid de Robiniagalmug (Obolodiplosis robiniae) op blaadjes van Robinia (Robinia pseudoacacia) vastgesteld. Vóór juli 2007 had nog niemand van het voorkomen van deze soort in Nederland gehoord. Het opmerkelijke is dat direct na de ontdekking van de gallen op een aantal plaatsen in Nederland waarnemingen werden gedaan en dat op de nieuwe vindplaatsen de soort plaatselijk talrijk aanwezig was. Bleven de waarnemingen aanvankelijk beperkt tot de zuidelijke helft van Nederland, in de loop van de zomer kwamen daar ook vindplaatsen in de noordelijke provincies bij. Op het forum van Waarneming.nl en op een aantal e-maillijsten van Yahoo is daarna een oproep geplaatst om waarnemingen van deze soort door te geven. Hieruit is een kaart ontstaan die een indruk geeft van de verspreiding van de Robiniagalmug [figuur 1]. De soort is volgens de gegevens op Waarneming.nl nog niet zo algemeen in de noordelijke provincies.
Aangezien de Robiniagalmug binnen één maand al een landelijke verspreiding had, is het waarschijnlijk dat de soort in eerdere jaren over het hoofd is gezien. De soort is in België al sinds 2005 bekend (Doornaert, 2007). Daar komt hij talrijk voor in de omgeving van Brussel.
De verspreiding van de galmug zou via de kwekerijen van Robinia's plaats hebben kunnen vinden. Een alternatieve hypothese is dat de verspreiding plaats vindt op grote schaal over grote afstanden door de lucht als luchtplankton, zoals dit ook van jonge spinnetjes en bladluizen bekend is (Van der Linden, 2000, Van Helsdingen, 2007). Dit zou de snelle invasie van de soort in Nederland kunnen verklaren. De Paardekastanjemineermot (Camararia ohridella) is een ander voorbeeld waarbij Nederland en België snel bevolkt zijn door een klein organisme, dat hoofdzakelijk passief door de wind wordt verspreid, maar zich snel over een gebied kan uitbreiden als de voortplantingscapaciteit maar toereikend is. In Italië wordt opgemerkt dat de soort zich volgens het wegenpatroon verspreid (Calvi & Tantardini, 2005). Dit is ook gesuggereerd voor de Paardekastanjemineermot (Moraal, 2007) en de Zuidelijke boomsprinkhaan Meconema meridionale.
Herkenning
De determinatie van plantengallen gaat het eenvoudigst via de waardplant: eerst bepaal je de soort van de waardplant en vervolgens bepaal je welke soort je gevonden hebt aan de hand van de gallen die voorkomen op de betreffende waardplant. De Robiniagalmug komt alleen voor op de Robinia. De Robinia, vroeger ook wel Witte accacia of Valse accacia geheten is een exoot uit Noord-Amerika en is in het midden van de 17e eeuw geintroduceerd (Weeda et.al., 1987).
Bij het aanplanten van exoten in Europa komen in het algemeen de parasieten uit het oorspronkelijke verspreidingsgebied niet mee. Exoten worden hierdoor vaak gekenmerkt door een klein aantal parasieten (Moraal, 2001; Ellis, 2007). Dit maakt de herkenning van de gal van de Robiniagalmug gemakkelijk: als men de boomsoort Robinia kan herkennen is het herkennen van de soort gal eenvoudig: naast de Robiniagalmug komt in Nederland alleen de Robiniamineermot (Phyllonorycter robiniella) nog voor op de Robinia.
De gal is te herkennen doordat de bladrand van de deelblaadjes van het geveerde blad op bepaalde plaatsen naar beneden is omgerold en daar lichter groen is verkleurd en enigszins verdikt. Aan de bovenkant vallen de gallen vooral op doordat het blad op aangetaste delen een onregelmatige rand heeft. Op jonge blaadjes kunnen gallen die aan beide randen van het blad zitten elkaar in het midden raken waardoor het blad sterk van vorm verandert [figuur 2].De soort is het eenvoudigst te vinden door de onderkant van de bladeren te bekijken: de omgerolde bladrand krult naar beneden om en is daardoor aan de onderkant het eenvoudigst te ontdekken. De soort is vaak aan te treffen in tuinen op Robinia's die bolvormig gesnoeid zijn. De beperkte hoogte van deze bomen maakt het zoeken een stuk eenvoudiger. Verder kan de soort ook vaak op de wortelopslag van de Robinia worden aangetroffen.
Larven, poppen en parasieten van de Robiniagalmug
De Robiniagalmug is een galmug uit de familie Cecidomyiidae. Deze familie behoort tot de Tweevleugeligen (Diptera) die naast de vliegen, de muggen (Nematocera) omvat. Nematocera betekent 'wormvormige sprieten' en dat is precies het kenmerk van deze primitieve tak van de Diptera. Ze hebben antennen die bestaan uit een heel aantal korte leedjes. Nematocera hebben gewone poppen en larven die geen maden zijn. Hoe Nematocera-larven er uitzien varieert sterk: de galmuggen hebben door hun gespecialiseerde levenswijze geen duidelijke kop. Er is een oogvlekje en er zijn nog rudimenten van antennen, maar voor het overige is er van een kop niet veel te herkennen (persoonlijke mededeling W.N. Ellis). Onder de omgeslagen bladrand zit een witte tot zacht roze larve van een galmug en later de iets sterker gekleurde pop van het insect. Deze is eenvoudig te vinden door de bladrand voorzichtig af te rollen: de larve of pop komt dan vanzelf te voorschijn. Per gal zitten een tot drie larven.
Als de larven van de Robiniagalmug geparasiteerd worden, vindt men op de plek van de larve een rij van poppen van de parasiterende wesp. Een nieuwe sluipwespensoort van de Robiniagalmug werd in 2007 opnieuw ontdekt en beschreven: Platygaster robiniae (Wermelinger & Skuhravá, 2007).
Verspreiding in Nederland
De soort is in alle provincies van Nederland aangetroffen, maar ontbreekt nog op de waddeneilanden [figuur 1]. Waarschijnlijk kan de Robiniagalmug inmiddels overal in Nederland worden gevonden. In Limburg is de soort bekend uit Midden-Limburg, Sittard en Bemelen.
Wel is de soort in het zuiden plaatselijk talrijker dan in het noorden van het land. In Zuid-Drenthe wisselen de aantallen en kunnen ook groepjes van bomen gevonden worden zonder de Robiniagalmug. Vaak zijn deze bomen niet zo vitaal en zijn delen van de bladeren al verdroogd. Van bladmineerders is bekend dat ze gezonde bomen prefereren boven zieke bomen (Elllis et al., 2001). Het lijkt erop dit ook opgaat voor de Robiniagalmug. In Groningen komt de soort minder voor, maar is ze lokaal wel in hoge dichtheden aangetroffen. Ondanks de ontdekking van de soort in 2007 wijst de wijde verspreiding op een langer voorkomen in Nederland.
Verspreiding in het buitenland
De soort komt van oorsprong alleen voor in oostelijk Noord-Amerika. De laatste jaren is de Robiniagalmug bezig met een wereldwijde opmars. In 2002 werden de eerste gallen aangetroffen in Japan en Zuid Korea (Kodoi et al.,2003). Daarna in Italië (2003), in Slovenië en Tsjechië (2004) (Duso &Skuhrava ,2004; Navone &Tavella ,2004; Sheppard et al.,2006), in België (2005) (Doornaert, 2007 ), in China en Hongarije (2006) (Csóka Gy, 2006) en in Duitsland (Hoffmann, 2007) Zwitserland (Wermelinger, 2007) Servië en Montenegro (2007) (BrGlavendekic et al., 2007).
In Engeland is de soort nog zeldzaam. In september 2007 werd in de plaatsen Londen, Ampthill en Flitwick slechts op één van de in totaal zestig onderzochte bomen een blad met gallen gevonden. Mogelijk dat de daar veel aangeplante gelige variëteit minder vitaal en daardoor minder gewild is door deze galmug (schriftelijke mededeling A. Hospers).
De soort is door de schrijver spaarzaam aangetroffen begin oktober 2007 in Zuid-Duitsland rond de Bodensee, voornamelijk op bolrobinia's in Baden-Baden, Engen, Unterlingen, Lindau, Meerburg, Überlingen en in Zwitserland (Schaffhausen en Rorschach).
In 2007 is op een andere locatie in Duitsland (Kühkopf bij Mannheim) en in België (Gent, Antwerpen) deze soort aangetroffen (schr. med. J. Bruinsma)
Overige soorten op Robinia
Naast de Robiniagalmug leeft ook de rups van de Robiniamineermot (Phyllonorycter robiniella). op de Robinia. De Robiniamineermot komt sinds 1998 (Ellis, 2007) in Nederland voor en de veel langzamere uitbreiding is beter te volgen, mogelijk door een grotere gevoeligheid voor weersinvloeden. Deze soort maakt echter geen bladrandgallen maar vouwmijnen aan de onderkant van het blad. Verder komt in Zuid Europa Parectopa robiniella voor op Robinia, ook deze soort is met een opmars naar het noorden begonnen. Deze soort heeft wittige bovenzijdige blaasmijn bovenop de hoofdnerf met lobbige uitlopers (Hellrigl, 2006; Ellis, 2007).
Waarnemingen
Het vermoeden bestaat dat de soort al een landelijke dekking heeft terwijl dit nog niet direct uit de verspreidingskaart duidelijk wordt. De galmug heeft drie generaties per jaar. Daarnaast is de verwachting dat de soort niet in winterrust gaat. Daarom wordt vermoed dat deze soort levend tot ver in de herfst aangetroffen kan worden. Er zijn echter recent ook poppen aangetroffen waar (nog) geen adulten uit te voorschijn komen. Waarnemingen kunnen aangeleverd worden via Waarneming.nl of het Natuurhistorisch Genootschap.
Dankwoord
Tot slot wil ik alle waarnemers die hun gegevens doorgegeven hebben of ingevoerd hebben in Waarneming.nl bedanken voor hun medewerking en Willem Ellis en Andre Hospers voor de aanvullingen op dit artikel.
Marcel Hospers
Literatuur
alvi, M. & A. Tantardini, 2005. Un nuovo parassita per la robinia, Lombardia Verde, 1 augustus 2005, 5 december 2007, http://www.agricoltura.regione.lombardia.it
Csóka Gy., 2006: Az akác-gubacsszúnyog (Obolodiplosis robiniae Haldeman 1847)) megjelenése Magyarországon. Növényvédelem 42(12): 663-664.
Doornaert, 2007. CEBE – MOB – Actualités – Observations Archives, 20 januari 2008, 5 december 2007,http://www.cebe.be
Duso,C. & M.Skuhrava, 2004. First record of Obolodiplosis robiniae (Haldeman) (Diptera: Cecidomyiidae) galling leaves of Robinia pseudoacacia L.(Fabaceae)
in Italy and Europe. Frustula entomologica 25 (XXXVIII):117-122.
Ellis, W.N., J.H. Kuchlein & E. Meuleman-ten Broeke, 2001. The relation between vitality and leaf miner density in beach and common oak. Entomologische Berichten 61: 1-13.
Ellis, W.N., 2007. ‘Robinia, witte acacia fam. Fabaceae’ en ‘Phyllonorycter robiniella (Clemens)’ in ‘Nederlandse bladmineerders / Dutch leafminers’, 27 september 2007, 5 december 2007
Glavendekic, M. & L. Mihajlovic, 2007. Obolodiplosis robiniae (Haldeman) (Diptera, Cecidomyiidae) new invasive alien species on black locust in Serbia and Montenegro. Uitgever en plaats van uitgifte
Hellrigl, K, 2006. Rasche Ausbreitung eingeschleppter Neobiota (Neozoen und Neophyten) Forest observer 2006 (2/3): 349-388.
Hoffmann, D., T. Lichtenberger & R. Beiderbeck, 2007. Die amerikanische Gallmücke Obolodiplosis robiniae (Haldeman, 1847) an Robinien in Deutschland. Deutsche Gesellschaft für allgemeine und angewandte Entomologie - Nachrichten 21 (86, 87)
Helsdingen, P.J. van, 2007. De wespspin Argiope bruennichi in Nederland. 5 december 2007, http://www.naturalis.nl/wespspin.
Kodoi, F., H.-S. Lee, N. Uechi & J. Yukawa, 2003. Occurrence of Obolodiplosis robiniae (Diptera:Cecidomyiidae ) in Japan and South Korea. Esakia 43: 35-41.
Linden, J. van der, 2000. De opmars van de wespenspin Argiope bruennichi in Nederland (Araneae: Araneidae). Nederlandse Faunistische Mededelingen 11: 45-53.
Moraal, L.G., 2001. De eik als bron van insectenleven. Bomennieuws 26 (2): 8-9.
Moraal, L.G., 2007. Invasie Paardenkastanjemineermot in Nederland, 5 december 2007
http://www.insectenweb.nl
Navone, P.& L.Tavella, 2004. Obolodiplosis robiniae ,fitifago della robinia. Formatore agrario 50: 57-58.
Weeda, E.J., R. Westra, Ch.Westra & T. Westra, 1987. Nederlandse oecologische flora, deel 2. IVN, VARA en Vewin, Amsterdam.116-117
Sheppard,A.W., R.H.Shaw & R.Sforza, 2006. Top 20 Eniconmantal weeds for
classical biological control in Europe:a review of opportunities,regulations
and other barriers to adoption. Weed Research 46: 93-117.
Wermelinger, B. & Skuhravá, M., 2007: First records of the gall midge Obolodiplosis robiniae (Haldeman) (Diptera: Cecidomyiidae) and its associated parasitoid Platygaster robiniae Buhl & Duso (Hymenoptera: Platygastridae) in Switzerland. Mitteilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft 80: 217-221.
FIGUUR 1
Verspreiding van de Robiniagalmug (Obolodiplosis robiniae) tot oktober 2007. In Flevoland zijn tot heden geen waarnemingen bekend ) (bron: Waarneming.nl).
FIGUUR 2
De gallen van de Robiniagalmug (Obolodiplosis robiniae) bevinden zich aan de onderkant van de robiniabladeren (foto: M. Hospers).
t writing here.





Andreas Kemper
Uitnodigen als auteur
Nederlandse Knols
http://knol.google.c